Das Musikleben der bürgerlichen Gesellschaft Leipzigs im Vormärz (1815-1848)

Das Musikleben der bürgerlichen Gesellschaft Leipzigs im Vormärz (1815-1848)
By: George Overmeire on: Fri 18 of July, 2008 11:51 UTC (1128 Reads)

Uittreksel uit het proefschrift van Friedrich Schmidt, 1912.Klik hier voor een aanklikbare MindMap.

Das Musikleben
der bürgerlichen
Gesellschaft Leipzigs
im Vormärz (1815 – 1848)
Friedrich Schmidt

46: Theater
Küstner
Begon in 1817
Op dat moment waren m.n. gangbaar

Singspiel und Liederspiel 3/8
Trauerspiel 1/8
Schauspiel 1/8
Lustspiel 3/8

Bijv in theaterjaar 1834/35 292 stukken, w.v. 107 opera's, 39 Liederspiele und Vaudevilles, 95 Lustspiele en 51 Schau- und Trauerspiel.

Ringelhardt
Ringelhardt was een commercieel denkend theaterman.
Had reeds de leiding gehad van theaters am Rhein
Verliet Leipzig in 1844 als welvarend man, hoewel niet geliefd bij het publiek.

Dr. med. Schmidt
Was van 1821 - 1826 zelf toneelspeler (onder Küstner) geweest.
Was een gerespecteerd arts
Ving later toch weer liefde voor het theater op, en nam de directie van het theater over.
Na vier jaren was het theater echter compleet failliet, ook door het rampjaar 1848.
Vgl hiertoe ook de weliswaar wat eenzijdig gekleurde brieven van Lortzing van 1844.

48: Operette
58: Dorn: Rolands Knappen 1830
Heinrich Dorn: Kapellmeister aan het Leipziger "Hoftheater" van 1829 - 1832.
Schreef Rolands Knappen (1830), Die Bettlerin (1831), die meer succes had, Abu Kara (1844), en "Der Schöffe" (AMZ 1831 nr 9) en "Aus meinem Leben" (Berlin 1870-77), dl 2, p 9ff

50: populariteit opera/operette to toneel
60: Merelli
Italiaanse opera in Leipzig 1830/31: vooral Rossini, terwijl ca 1840, 42, 43 vooral Donizetti, meer dan Bellini en Rossini.
1840: troep van Merelli "interessanten Zugvögeln".
1843 kopierte zum Schluß der Vorstellungen das entzückte Publikum die Berliner Blumen- und Gedichtwerfung en miniature, wie die "Signale" boshaft bemerken.
Andere Italiaanse opera's in ;Leipzig: Meyerbeer "Crociato in Egitto" (1830), 1833: "Robert der Teufel", en 1837 "Hugenotten" (ondanks vernietigende kritiek van Robert Schumann; in "Fragmente aus Leipzig" nr 4; geciteerd op p 61. Kritiek richt zich vooral op het massale en op het uiterlijke waarbij in een adem ook Auber meegenomen wordt)
Ook populair: Halévy - 8 werken in het repertoire in L. tijdens Viormärz), voltooide Hérolds "Ludovic" (komische opera), geen succes, maakte "Templer und Jüdin" (libr. van Scribe), ensc. Ringelhardt, verder "Der Blitz" (1936), 1930 "Guido und Guinevra", 1841 "Der Guitarrenspieler", 1842 "Die Königin von Cypern"
Naast de grote opera's van Meyerbeer en Halévy ook aandacht voor het meer intieme werk: de tijd van Müller, Kauer u.a. was voorbij, maar nieuwe namen zijn Boieldieu (1805: "Kalief von Bagdad") 1814: "Johann von Paris", vooral "Weiße Dame" (Dame blanche) uit 1826;
daarnaast Auber: 1824: Der Schnee (kom opera) werd niet zo gunstig ontvangen, wel: Das Konzert bei Hofe (ook 1824) en "Mauerer und Schlosser" (1826), Fra Diavolo (1931), Der schwarze domino (1838), der Feensee (1839), die Krondiamanten (1842) en "des Teufels Anteil" (1843). Twee Schlagers: 1829: "Die Stumme von Portici" (revolutieopera vanwege uitvoering in Brussel 1830 signaal voor de opstand was die tot splitsing Belgie-Nederland? leidde), en 1834: "Gustav oder der Maskenbal"
Aansprekende melodiek zoals Auber en meyerbeer ook bij Adolphe Adam. Zijn gelukkigste schepping: "Der Postiljon von Lonjumeau", 1837 in Leipzig., 1839 "Der Brauer von Preston".De volgende vier werken (tot 1848) bereikten dit succes niet, en "Der König von Ivetot" (1843) werd zelfs uitgefloten ("ausgezischt")

64: Lortzing
Grootste talent, nieuwe ster aan het firmament was echter Albert Lortzing.

1832: Der Pole und sein Kind . Singspiel, met het in de tijd van de "Polenschwärmerei" zeer gewaardeerde lied :"Zu Warschau schwuren tausend auf den Knien".
1833: Lortzing wordt door Ringelhardt gevraagd als toneelspeler en tenorbuffo, daarna wordt Leipzig de plaats waar zijn werk in première gaat.
20 feb 1837: " Die beiden Schützen ". Düringer: "Allgemeine Heiterkeit war der Erfolg dieser echt komischen Oper". Aangespoort door het succes
22 december 1837: " Zar und Zimmermann ". Aanvankelijk gematigd ontvangen, omdat de Leipziger musiekcritici negatief waren over "die beiden Schützen", maar in Berlijn werd het een groot succes, vervolgens alle andere grote Bühnen in Dtsl, waarna ook Leizig over de brug kwam. Berthold speelde de burgermeester Von Bett, Lortzing zelf Iwanov en Fr. Günther een "reizende" Marie. De melodieén waren zo pakkend, dat ze met de Leipziger Ostermesse 1838 door de "Harfenmädchen" gezongen werden.
1839: " Caramo oder das Fischerstechen ", met het jaarlijkse visserijfeest in Leipzig, (zie ook "Drobisch: "Humoristische Leipzig""1851") had slechts een éénmalig succes.
Ook " Hans Sachs " , gemaakt tgv het Gutenbergjaar 1840 werd geen repertoirestuk, evenals
" Casanova ", Sylvester 1841.
Echter: " Der Wildschütz " bracht Lortzing weer geluk. Speciaal om het Leipziger publiek hun lievelingskomiek Ballmann te kunnen zien, creéerde Lortzing de rol van Haushofmeister.Deze rol heeft weinig voor de handeling te betekenen. Ook wist Lortzing in dit stuk de belangstelling voor Sophocles (hyperenthousiasme in L.na uitvoering van "Antigone") op de korrel te nemen.
1846: " Undine " (Zauberoper) en " Waffenschmied " Lortzing had Leipzig toen al verlaten.
1847: Zum Großadmiral en Die Rolandsknappen (1849) (en "Die Opernprobe 1852) werden welwillend opgenomen, maar hadden geen blijvend succes - des Künstlers Kraft war allmählich in dem gemeinen Kampf ums tägliche Brot erlahmt.

65: Von Flotow
1845: Alessandro Stradella
1848: Martha

66: Nestroy, Raimund, Holtei
Ook Vaudevilles en Possen (kluchten) werden geregeld bezocht, bijv:
Holtei: "Die Winter in Berlin " (1824) en de meer sentimentele stukken met gezang, "Lenore " (1828), naar een ballade van Bürger. Belangrijkste song hieruit: Mantellied "Schier dreißig Jahre bist du alt".
Ook van Holtei: "Der alte Feldherr" ( 1829), "Lorbeerbaum und Bettelstab", met muziek van Julius Rietz (1833).
Holtei speelde in die tijd (1833) in Leipzig, maar de AMZ 40 schrijft: "Stimme hat er nicht, er weiß aber etwas in seine Lieder zu legen was nicht wenige anzieht. Er hat sich hier viele Freunde erworben".
Angely: Sieben Mädchen in Uniform (1825), Schülerschwanke (1826) en Das Fest der Handwerker met het gelaten levensblije lied: "Ei was braucht man, um glücklich zu sein, das wird ja den Hals noch nicht kosten".
Raimund: "Gemütvollen Zauberdramen mit herzigen Weaner Humor". Als eerste in 1829 met Der Bauer als Millionär oder das Mädchen aus der Feenwelt. Muziek van Josef Drechsler.
Nestroy: opvolger van Raimund, "Mehr verstandesmaßig, a tout prix witzige Zauberposse". 1834: Der böse Geist Lumpacivagabundus oder das liederliche Kleeblatt. Muziek van Adolf Müller jr.
Ringelhardt zei: Mein größtes Glück war die Schroder-Devrient?, noch mehr aber der Lumpacivagabundus.

68: Lorting und Marr.
81: Der Pole/Wilhelm Kunst
Wilhelm Kunst was acteur in Leipzig, maar niet populair. Hij zou, bij aanvang van Ringelhardts werkzaamheden, Lortzing's "Der Pole" spelen, maar was op een dag onverwacht verdwenen, waardoor het van het plan moest worden gevoerd. vgl L's brief aan zijn ouders, Kruse s. 56.
83: Karoline Günter/Ballmann/Berthold
Karoline Günther kwam 1834 in Leipzig, als opvolger van Doris Böhler
Huwde met Dr. jur. Bachmann, die echter al binnen een jaar na het huwelijk stierf. Men bleef haar echter "Die Gunther" noemen.
Het meest succesvol was zij als zij met het komiekentrio Berthold, Ballmann en Lortzing kon optreden: Diese Komiker verfugten über einen köstlichen frischen Witz, pflegten in ihren Extemporés besonders die Lokalkomik, und eine Fülle von Anekdoten wanderte frohlaunig durch die Stadt. Das gemeinsame Wirken aller vier war die schonste Zeit des Ringelhardtschen Unternehmens, und lange nachdem sich dieser einzigartige Vierbund aufgelost hatte, als seine Mitglieder zu Teil schon in kuhler ERde ruhten, erinnerte man sich noch gern und fröhlich jener Jahre: es war gewesen "zur guten Zeit des Ringelhardtschen Theaters".

92: Reichardt/Hiller
Joh. Friedrich Reichardt: Briefen eines aufmerksamen Reisenden die Musik betreffend. 1771.

93: 1780: Bürgermeister Müller, Arch. Dautle
96: Inflatie/kosten van theaterbezoek
99: Mendelssohn in Gewandthaus/orkestleider
106: Grillparzer
113:Ries-Lindpainter
138: Herloßsohn
Dr. Karl Herloßsohn: Redakteur des "Kometen".
Gaf Vorlesung in 1837 bij deklamatorische Abendunterhaltung van de actrice Mad. Dessoir Saphir (AMZ nr 47)

Tunnel über der Pleiße
In 1839: musikalisch-deklamatorische Akademie, waarbij de dichter Holtei een eigen,speciaal voor deze avond geschreven Proloog voordroeg,
en de Weense "Lustspielschreiber" Castelli gaf twee van zijn schetsen ten beste: "Die goldene Eier" en "Der gute Mann". (AMZ nr 20)

Glaßbrenner
147: Liedertafel
Aanvang van de Liedertafel lag in Berlijn: 1809 (eig 1808) door initiatief van K.Fr. Zelter opgericht onder dichters en componisten; iedere vier weken bijeenkomst met eten en droeg zelfgemaakte gedichten en liederen voor.
Een jaar later geolgd door H.G. Nägeli in Zürich op volkslied-basis een "Männersangverein"
Frankfurt a.d. O. volgde, waar de koopman Jak. Bernh. Limburger het fenomeen leerde kennen tijdens de Frankfurter Messen en op 24 oktober 1815 in Leipzig een Liedertafel in Leipzig oprichtte.
Uit 1819 dateren de statuten: Der Hauptzweck der Liedertafel ist, sich Monatlich einmal zu versammeln, herkömmlich Sonntags, um sich einander eigne Versuche in der poetischen und musikalischen Liederkunst, für den drei- oder vierstimmigen Männergesang verfaßt, mitzuteilen, sich über Gegenstände der Musik zu unterhalten und dann bei einem frugalen Mahle sich des Gesangs zu erfreuen. Die Zahl der Mitglieder ist auf zwölf beschränkt (für jede Stimme drei). Außer einstimmiger Wahl und Unbescholtenheit wird von dem neu Aufzunehmenden gefordert, ein guter Gesellschafter und insbesondere ein warmer Verehrer der Tonkunst zu sein, begabt mit musikalischer Bildung, am liebsten mit eigner musikalischer und dichterischer Produktivität. So begabte Mitglieder sollen die Früchte ihrer Muse so oft als möglich der Liedertafel widmen. Die übrigen mögen geeignete fremde Gesangstücke verschaffen, die, wenn sie Beifall gefunden, getrennt von den eignen Produkten der Liedertafelmitglieder, in besondre sogenannte Fremdenbücher eingetragen werden. Ist ein neues Lied in drie verschiednen Versammlungen vorgetragen worden, so erfolgt die Ballotage über die Aufnahme in die Liederbücher. Jedem Mitglied ist es gestattet, hierbei sein Urteil über Text und Komposition freundlich und bescheiden abzugeben. Drei schwarze Kugeln verwerfen.
In 1836 werd een bundel zelfgemaakte liederen uitgegeven voor de leden "Gesänge der Liedertafel zu Leipzig". Bestond uit

Fr. Schneider (organist Thomaskirche) 32 liederen
Schulz (Gewandhausmusikdirektor) 25
Fink (Theologen, später Musikkritiker) 25
Hofrat Rochlitz 18
Am. Wendt (Professor der Philosophie) 15
Dr. Dörrien (Konsistorialassessor) 15
Kunze (KAufmann und Kramer) 11
Richter (Buchhändler) 11
J.B. Limburger (Kauf- und Handelsherr) 5
Seyfferth (Bankier) 3
Schleinitz (Advokat) 2
Prof. Dr. Carus 2
Schlesinger (Kaufmann) 1

In "Fremdenbuch" waren 72 gesangen van o.m. Konradin Kreutzer, F. Otto, Weber, Salieri, Werner, F. Schubert, Zöllner, Schneider en een aantal volksliederen ("In einem kühlen Grunde", "Steh' ich in finstrer", "Sah ein Knab" etc.
Gezelligheid was ook belangrijk: bijeenkomsten waren bij de leden thuis (indien de huiselijke omstandigheden het toestonden)
Als een van de leden in het voorbije jaar een kind had laten dopen, mocht hij het oprichtingsfeest op 24 oktober organiseren, waarbij ook de vrouwen uitgenodigd werden.
Bijeenkomsten begonnen doorgaans om 18.00 - 18.15 uur, met thee, voorlezen van de notulen van de vorige bijeenkomst, voordracht nieuwe stukken en ballotage van nieuwe leden. Om pünktlich 21.00 uur "fand die Tafel statt", waarbij uit het Lieder- en het Fremdenbuch gezongen werd Ein gesundes Mitglied darf ohne allgemein anerkannte Gründe nicht vor elf Uhr weggehen.
Sommerliedertafel (bij leden die een "buiten" (in een van de voorstaddorpjes van Leipzig) hadden, Familienfeste, Stiftungstag, Weihnachten werden allemaal aangegrepen zu besondrem Frohsinn und humorvollen Scherzen; die Sangesbrüder fühlten sich eben wie Glieder einer großen Familie und teilten Freud und Leid mit einander.
1840: zilveren jubileum, waarvoor Mendelssohn zes vierstemmige liedern componeerde (Op. 50: "Wie Feld und Au, so blinkend im Tau", Von Grund bis zu den Gipfeln", das türkische Schenkenlied aus Goethes westöstlichen Divan "Setze mir nicht, du Grobian", en "Wer hat dich, du schöner Wald".
Naast Mendelssohn was ook Moscheles (1824, "Aus Mosch.s. Leben) en Bernhard Roberg enthousiast over deze Liedertafel.

Er was ook nog een andere Gesangverein, die meer uit studentenkring voortkomt.
begin 20-er jaren door geleerden en kunstenaars olv Schicht (Kantor Thomasschule) en Wagner (organist Paulinerkirche) bijeenkosmten georganiseerd, 4 juli 1822 werd de vereniging onder leiding van Wagner opgericht en sinds 1824 naam : "Universitätssängerverein zu St. Pauli".
16 leden, meest studenten van de theologische faculteit, hofdzkl responsorien zingen met de geestelijkheid tijdens kerkdiensten, iedere twee weken motetten en ook bij universiteitsfeestdagen. Wereldlijke muziek was niet uitgesloten,maar vanaf 1828 werd dat juist een groter aandeel.

Andere belangrijke vereniging, waarbij de zng niet voorop stond, was de "Tunnel über der Pleiße".
Zeer belangrijk: Karl Zöllner: va. 1820, student theologie, aangesteld als zangleraar aan de Ratsfreischule, zag twee jaar later af van een theologische loopbaan.
153: Tunnel über der Plei

Opgericht januari 1828, naar model van de Weense "Ludlamshöhle" en de Berliner "Tunnel über der Spree".
Literair-artistiek gezelschap. "Tunnel über der Pleiße" oder "Der Sonntagsgesellschaft des Peter". N.B. "Der" (sic).
De leden, aanvankelijk 22, kwamen iedere zaterdag om 6 uur bijeen in het obscure lokaal "Zum Pelikan" auf dem Neumarkt, um unter dem Schutzpatronat des Till Eulenspiegel humoristischen Blödsinn zu treiben.
De belangrijkste grap was alles omgekeerd te zeggen, "gut" werd "schlecht", "lang" werd "kurz".
Ieder lid werd "Makulatur" genoemd, de meeste leden waren nl. literator of boekhandelaar, en kreeg bij zijn intrede in de vereniging een "nom de guerre", waarmee hij tijdens bijeenkomsten werd aangesproken.
Voor opsomming leden plus schuilnaam: zie Walter Lange, naar een handschrift van Herloßsohn, in bezit van H. Dorn.
Aantreden van lid in de vergadering: "Was wollen Sie hier?" Darauf hielt der Eintretende die Hand visierartig vors Gesicht und antwortete: "Nichts". Nun erhob sich die ganze Gesellschaft und rief: "Das können Sie hier kriegen".
Opening van de vergadering: de voorzitter zwaait met een Stiefelknecht en men zong, waarschijnlijk op de melodie van "God save the King" het volgende lied: "Seht doch, wie feierlich - Hebt sich der Stiefelknecht - Nur stille, stille; - Stört den Gesellschaft nicht - Sonst straft den kühnen Wicht - Deklination". Dan liet de voorzitter de STKN zakken en moest de secretaris een zo klein en eenvoudig mogelijke toespraak houden.
De rest van de bijeenkomst bestond uit voordrachten over geliefde thema's in zgn "Spänen" van afz. leden, waarover men ontdeugende complimenten maakte.
Afsluiting door de "musikalische Tunnel", § 24 van de statuten bepaalde nl dat het gezelschap uit de muzikale MAkulaturen een "Kapelle" moets hebben, die musikalische "Späne" van de leden zou voordragen. Deze kapel was niet meer dan een mannenkwartet, onder leiding van Marschner, die zelf meezong en componeerde, o.a. zijn "Tunnellieder". op. 46 - waarmee hij grote invloed uitoefende op de ontwikkeling van de Liedertafel (vgls Spitta). Die Stimmung der lustigen Kumpanen klingt in vielen dieser Lieder wieder.
Veel ander wek van Marschner voor de Tunnel is minder bekend geworden, bijvoorbeeld het door toneelspeler Wohlbruck gedichte duet "Die betrunkenen Handwerkburschen" dat hij zelf op 31 jan 1829 met Magister Fischer voordroeg; ook een gedicht van Herloßsohn dat H. moest maken op 14 door de leden van het gezelschap opgegeven rijmwoorden werd met muziek van Marschner op 22 nov. 1828 voorgedragen außerordentlich schlecht befunden und allgemein da capo begehrt is het in Op.52 "Liebeserklärung eines Schneidergesellen".
In 1831 verliet Marschner Leipzig, waardoor de Tunnelaan muzikale betekenis inboette; na het Künstlermaskenfest in de winter van 1830/31, zoals in Leipzig nog niet gezien, was het lot van de Tunnel dat het meer en meer een "weitverzweigten Vergnügungsgesellschaft" werd, met een eigen ruimte in Hotel de Pologne, was lange tijd een van de meest vooraanstaande Leiziger ontspanningsverenigingen.

167: Körner/Weber: Leier und Schwert
Kriegslieder van Körner, getoonzet door K.M. von Weber
Werden op piano gespeeld, maar ook op de toen populaire gitaar.

169: Volkslied
Magnus Böhme
Volkstümliche Liedern der Deutschen im 18. und 19. Jahrhundert.

Erk
Liederschatz.

Schulz: Lieder im Volkston
Waren heel populair in de 2ehelft 18e eeuw, overleefde de eeuwwisseling niet, want sprak de volksziel niet voldoende aan.

Fischerstechen
179: Salon bij Härtel
Livia Gerhard
Livia Gerhard, gehuwd 1836 met univesitair docent Dr.jur. Woldemar Frege.
Was een dilettant, maar getalenteerd.
Hield een salon aan huis, waar kunstenaars en kunstliefhebbers graag kwamen luisteren; ze zong maar zelden in het openbaar en alleen voor een goed doel.
Had liederen van Pohlenz en Mendelssohn.
In 1845 organiseerde Frege voor zijn kennissenkring een voorstelling van Fidelio in het amateurtheater "Urania" (eigendom van de boekdrukker).
Livia speelde de titelrol, andere leden van Urania speelden de overige rollen.
Opera was ingestudeerd door Lortzing! en hij dirigeerde ook de uitvoering. (brief 6 maart aan Reger).

181-183: Lortzing
187: Henriette Voigt
194-199: Muziektijdschr. in Leipzig
AMZ 1798 Rochlitz
NLZfM
NZfM
199: Limburger
Evenals Rochlitz een goed ontwikkelde amateur, de Kauf- und Handelsheer Jak. Bernhard Limburger (geb 1770).
Wohin Limburger kam, da verbreitete sich sogleich gemütliche Heiterkeit.
Was middelpunt van Leipzige muziekleven, sinds 1799 lid van de Konzertdirektion, hoorde bij de oprichters van de Singakademie, oprichter van de oudere Liedertafel, en Vorsteher van "Orpheus".

204: Alg culturele en politieke ontwikkeling Leipzig
De burgerlijke maatschappij in Leipzig leidde een hoogontwikkeld geestesleven
Niet alleen het 18e eeuwse Bildungsideaal, maar ook praktische interesse in de geest van de tijd: ein öffentliches Interesse an Heimatsort, Vaterland, Nation und am Heiligsten, das alle drei in höherer Einheit zusammenfaßt, an der Religion - ein Interesse, das nicht nur passive Teilnahme, sondern tätige Mitarbeit verlangte.
Hoofdfeiten:

Bürgerunruhen 1830 und 1831 gegen den sich durch Eigenwahl zusammensetzenden patrizischen Rat und seine Unterbeamten gerichtet,
Bildung der Kommunalgarde, am 22 september 1830 Wahl provisorischer Kommunrepräsentanten.
5 april 1831: Einführung der neuen Stadtverfassung.

Im vaterländischen und nationalen Bereich:

zunächst ein stark gefühlsmäßiges Erfassen politischer Geschehnisse
Die patriotisch-religiöse Stimmung der Befreiungskriege
das Träumen von der Wiederkehr der "alten deutschen Herrlichkeit",
Altdeutschtümelei
Burschenschaftliche Bewegung
das Turnen,
Griechenschwärmerei 1821
Polenschwärmerei 1831 (die flüchtige Polen in Leipzig)
Entrüstung über den hannoverschen Verfassungsbruch (Subskription in Leipzig für die Göttinger Sieben)
feurige Aufnahme der politischen Dichtung (Hoffmann von Fallersleben und Herwegh werden auf ihrem Aufenthalt in Leipzig gefeiert)
Gutenbergjubiläum 1840,mancher feurige Wunsch für größere Entfesselung der Presse wird laut,
Schillerfeste seit 1840, in die Robert Blum freiheitliche Tendenzen trägt.
erreicht ist ein tieferes Interesse an politischen Dingen, ein Erstarken des Sinns einer nationalen Einmütigkeit.

Es entwickelte sich ein realerer politischer Sinn:

Bedeutung des sächsischen Anschlusses an den Zollverein 1833
eine erste großzügige Tat kommunalen bürgerlichen Unternehmungsgeistes: Bau der Leipzig - Dresdner Eisenbahn hauptsächlich mit Leipziger Kapitalien,
Auftauchender Sozialismus (Ende der dreißige Jahre)
Nachdenken über das Verhältnis der Glieder der bürgerlichen Gesellschaft zueinander,
Kritik an der Landesverfassung
Interesse an den Landtagsverhandlungen (u.a. das Landtagskränzchen)
K. Biedermanns Vorträge vor einem breitern Publikum über "Tagesfragen",
politisch gesellige Zusammenschlüsse, leise Parteibildungen.

Im religiösen und kirchlichen Bereich:

Kampf in den zwanziger Jahren zwischen Orthodoxie und freigläubigem Rationalismus: Prof. der Theologie Aug Hahn (1826-33) in Leipzig kontra Prof. der Theologie Tzschirner und Prof. der Philosophie Krug
Bedeutung der verschiedenen kirchlichen Gedenkfeste
Versammlung der Lichtfreunde in Leipzig 1842
Die Leipziger Deutschkatholiken (Robert Blum)
Strei um das Apostolikum 1844
Petitionen um eine Presbyterial- und Synodalverfassung
Gegenpetitionen,
Augustaufruhr 1845, veranlaßt durch das Vorgehen der Regierung gegen Lichtfreunde und Deutschkatholiken.