Inleiding

Met het begrip Biedermeier wordt in de kunst- en cultuurgeschiedenis de periode aangeduid tussen het Congres van Wenen (1815) en de Maartrevoluties van 1848. De term is vooral van toepassing op de kunst van Duitsland en Oostenrijk uit deze periode en is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de satirische gedichten die tussen 1850 en 1857 gepubliceerd werden door Ludwig Eichrodt (1827 - 1892) in "Die Gedichte des schwäbischen Schulmeisters Gottlieb Biedermaier und seines Freundes Horatius Treuherz”. De in deze persoon (Biedermeier = rechtschapen, brave burgerman) beschreven eigenschappen (vaderlandsliefde, religie, patriarchale orde in staat en gezin, onderhouden van tradities, eenvoud, zelfvoldaanheid, streven naar harmonisch samenzijn met anderen) tekenen slechts voor één kant van de medaille; juist in het in het algemeen als knus beschouwde Biedermeier-tijdperk komt ook het Socialisme langzaam maar zeker op.


Het Biedermeier-tijdperk is in vier tijdvakken te periodiseren:

  • Restauratie: Van het Weens Congres (1815) t/m de Weense Slotakte. (1820).
    Na de overwinning op Napoleon in de slag bij Leipzig (16-19 oktober 1813) werd, naar aanleiding van besluiten tijdens het Wener Congres (22 september 1814 - 9 juni 1815) onder hegemonie van Oostenrijk en Pruisen op 18 juni 1815 de Duitse Bond opgericht. Besloten werd in de 39 Duitse staten die in de Frankfurtse Bondsdag waren vertegenwoordigd de absolutistische toestand van voor Napoleon te herstellen. Als pressiemiddelen werden spionage, verklikken en gevangenisstraffen gebruikt. Daarmee vervloog de hoop op vrijheid van de leden van de “Burschenschaft”, de op 12 juni 1815 opgerichte radicaal-patriottische studentenvereniging uit Jena. Deze quasi- geheime bond concentreerde zich rond de broers August en Karl Follen en August Daniel von Binzer.
    Op 18-19 Oktober 1817 vierden leden van deze vereniging op de Wartburg in Eisenach een academisch feest ter herinnering aan de Reformatie en de slag bij Leipzig. Tijdens dit feest werd een symbolische boekverbranding gehouden, waarbij o.m. het burgerlijk wetboek en Kotzebue’s “Geschichte des deutschen Reiches” in vlammen opgingen. De theologie-student Karl Ludwig Sand (1795 - 1820) verdacht de bekende toneelschrijver August von Kotzebue (1761 - 1819) van spionage en stak hem op 23 maart 1819 neer met de woorden “Hier, du Verräter des Vaterlands!”.
    De moord op Kotzebue werd door de Oostenrijkse monarchist Clemens von Metternich (1773 - 1859) aangegrepen om, ondersteund door Pruisen, de Karlsbader besluiten uit te roepen (20 september 1819) . Dit betekende een verbod op de Burschenschaften, opheffen van vrijheid van meningsuiting, opheffen van de vrijheid tot doceren aan de universiteiten en afschaffen van de persvrijheid en dat alle tegenstanders van de restauratie als “demagogen” werden vervolgd. (“Demagogenverfolgung”). Hierdoor kon alleen nog het quiëtisme, een levenshouding die zich geheel richt op een rustige gemoedstoestand, tot ontwikkeling komen.
  • Jong-Duitse periode: Van de Parijse revolutie 1830 t/m de Demagogenvervolging (1835).
    De tweede periode zet in met de Julirevolutie in Parijs (26-27 juli 1830), de val van koning Karel X en het uitroepen van de constitutionele Monarchie o.l.v. Louis Philippe d’Orléans, de “burgerkoning”. Hierdoor vatten in Duitsland ook de liberalen weer hoop en van augustus 1830 tot januari 1831 zijn er in diverse Duitse staten onrusten. Dit leidt tot het “Hambacher Fest” bij Neustadt (Pfalz) op 12 mei 1832, waarbij op initiatief van en geleid door de journalisten Johann Georg August Wirth en Philipp Jakob Siebenpfeiffer Zuidwestduitse democraten voor 30.000 deelnemers soevereiniteit voor het volk en verbroedering van de mensheid eisen. Onder de deelnemers bevonden zich gasten uit Polen en Frankrijk. Robert Blum schreef een "Einladung zum deutschen Maifeste 1832":

    Deutsche! Eilt in hehrer Stunde
    Zu dem großen Völker-Bunde.
    (gecit. uit: Zerback, R: Robert Blum, Leipzig 2007)

    Het antwoord komt echter al snel: op 5 juli 1832 besluit de Duitse Bondsdag tot verdere verscherping van de censuur en een verbod op politieke partijen en volksvergaderingen. Op 12 juni 1834 besluit de Ministerconferentie in Wenen tot een verdere aanscherping van de “Demagogenverfolgung”. In 1835 besloot de bondsdag in Frankfurt tot een algeheel verbod van de verspreiding van de geschriften van de literaire school die bekend stond als “het Jonge Duitsland.”


  • Biedermeier: 1835 - 1840:
    Deze periode wordt weer, net als de eerste, gekenmerkt als typisch “biedermeier”, waarbij de kunstenaars politiek aangepast moeten manoeuvreren om de censuur zo veel mogelijk te omzeilen.
  • Vormärz (=”Voormaart”): De rechtstreekse voorbereiding op de Maartrevolutie van 1848 en de verkiezing van de nationale vergadering in Frankfurt a.M. 24 februari 1848:

    * februarirevolutie in Frankrijk; val van Koning Lodewijk Philippe. Ontstaan 2e republiek. Dit straalt uit naar omliggende landen.
    * 13 maart 1848: begin van de revolutie in Wenen.
    * 18 Maart: begin revolutie in Berlijn.
    * 16 april 1848: opstand van het door de republikeinen geleide vrijkorps in het groothertogdom baden.
    * 15 mei 1848: revolutionaire acties van de Nationale Garde in Wenen.
    * 18 mei 1848: bijeenkomst Duitse Nationale vergadering in Frankfurt a.M..
    * Op 25 september 1848 wordt de censuur weer ingevoerd in Pruisen.
    * 6 Oktober 1848: begin van de opstand tegen de contrarevolutie in Wenen.
    * 28 tot 31 oktober: 1848: met de inname van Wenen door de contrarevolutionaire troepen o.l.v. vorst Windischgrätz wordt de revolutie neergelagen.
    * Op 9 november 1848 wordt Robert Blum, afgevaardigde van de frankfurter Nationale vergadering in Wenen, standrechtelijk ter dood veroordeeld en in de Brigittenau bij Wenen geëxecuteerd.
    * Op 10 november trekken de koninklijke troepen Berlijn binnen; staatsgreep in Pruisen.
    * 28 Maart 1849: De Nationale vergadering in Frankfurt neemt de rijksgrondwet aan;
    * op 3 april reist een deputatie met mandaat naar Berlijn om Friedrich Wilhelm IV te vragen keizer te worden; deze wijst het aanbod af.


    Als stijlbenaming kwam Biedermeier voor het eerst op in de meubelkunst; het staat dan voor een neiging tot het eenvoudige, niet-kostbare en nuchtere bevalligheid. Meubels werden slanker en simpeler, bleven rechtlijnig en hoekig, maar zonder de decoraties. Geen kostbare houtsoorten als mahoniehout of palissander, maar minder dure soorten en inlegwerkjes, dunne guirlandes en ovale medaillons i.p.v het metaalbeslag, dat in Frankrijk tijdens het Eerste Keizerrijk (Empire) zo in de mode was. In Duitsland is dit het sterkst waarneembaar; in Frankrijk bleef men vrij conservatief en in Nederland en België was de empirestijl al nuchter en minder kostbaar, zodat de overgang minder duidelijk aantoonbaar is.
    In de schilderkunst uitte de Biedermeier-stijl zich door weergave van huiselijke waarden, intimiteit, gezinsleven, innige kinderportretten. Deze ontstonden zowel in het burgerlijke als in het aristocratische milieu en ook aan het keizerlijk hof. Echter, ook de keerzijde, zoals armoede van de laagste standen, vormde een veel voorkomend motief. Belangrijke schilders zijn: Ferdinand Georg Waldmüller, Josef Danhauser, Friedrich von Amerling, Jakob Alt en Johann Peter Krafft.
    Ook de mode begon met een vereenvoudiging en een verstrakking van de in empire gangbare mode. De damesrok was lang, maar bleef voetvrij. Het meest populair werd de redingote-uitvoering (rondom rechtafhangend. Ook bij de herenkleding was de redingote favoriet. Verder droegen de heren kleurige vesten en overhemden met hoge boorden, de zgn “vadermoordenaar”. De pantalon was

    De Duitse schrijvers die tot de Biedermeier-periode gerekend worden steken doorgaans met kop en schouders uit boven de bekrompenheid van Eichrodt’s Gottlieb Biedermaier. Belangrijke schrijvers zijn:

    * Eduard Mörike] (1804 - 1875): o.a. Maler Nolten (1832) en Mozart auf der Reise nach Prag (1855)
    * Nikolaus Lenau (1802 - 1850)
    * Annette von Droste-Hülshoff] (1797 - 1848): Die Judenbuche (1842)
    * Ferdinand Raimund (1790 - 1836): belangrijk schrijver van komedies en kluchten; o.a. Das Mädchen aus der Feenwelt (1826); Der Alpenkönig (1828) en Der Verschwender (1834).
    * Johann Nepomuk Nestroy (1801 - 1862): Der böse Geist Lumpazivagabundus (1833); Zu ebener Erde und erster Stock (1835).
    * Franz Grillparzer (1791 - 1872): Die Ahnfrau (1817) en natuurlijk Der arme Spielmann (1847).
    * Karl Leberecht Immermann (1796 - 1840): o.m. Die Epigonen (1836).

    Schrijvers uit de Jong-Duitse school:

    * Heinrich Heine (1797 - 1856): Reisebilder (1826)
    * Karl Gutzkow
    * Heinrich Laube
    * Ludolf Wienbarg
    * Theodor Mundt
    * Ludwig Börne
    * Georg Herwegh (1817 - 1875): Unpolitische Lieder (1840-41).
    * August Heinrich Hoffmann von Fallersleben (1798 - 1874): Ein Glaubensbekenntnis (1844).
    * Ferdinand Freligrath (1810 - 1876):
    * Christian Dietrich Grabbe (1801 - 1836): Scherz, Satire, Ironie und tiefere Bedeutung (1827), Don Juan und Faust.


    In de muziek - het hoofdonderwerp van deze web-site - is de Biedermeier-stijl pas laat erkend. Aangezien het kenmerk van Biedermeier is de burgerlijke gezelligheid en deugdzaamheid, kan men bijvoorbeeld de Noordduitse Liedertafel (en de Zuidduitse Liederkranz) rekenen tot typische Biedermeier muziek.
    Componisten die zich hiermee bezig hebben gehouden zijn: Karl Friedrich Zelter (1758 - 1832), die in 1809 in Berlijn de “Zeltersche Liedertafel” oprichtte. Deze zanggroep mocht volgens de statuten 25 leden hebben, die zich moesten onderscheiden als zanger, dichter of componist. In 1819 richtte Ludwig Berger samen met Bernhard Klein, Gustav Reichardt en Ludwig Rellstab de jongere Berlijnse Liedertafel op Vanaf nu worden overal in Duitse steden mannenkoren opgericht.
    In Zwitserland is Hans Georg Nägeli (1773 - 1836) belangrijk en de bundel “Der Schweizerische Männergesang” uit 1833 droeg in belangrijke mate bij tot het populair worden van het koorlied. Friedrich Silcher (1789 - 1860), directeur van de muziekacademie in Tübingen, neemt het werk van Nägeli over en ontwikkelt het vierstemmig volkslied.
    Andere belangrijke componisten van het koorlied:

    * Bernard Klein (1793 - 1832)
    * Carl Maria von Weber (1786 - 1826): componist van “Leyer und Schwert” op teksten van Körner
    * Friedrich Schneider (1786 - 1853)
    * Karl Loewe (1796 - 1869)
    * Karl Gottlieb Reissinger (1798 - 1859)
    * Karl Friedrich Zöllner (1800 - 1860)
    * Heinrich Marschner (1795 - 1861)
    * Felix Mendelssohn- Bartholdy (1809 - 1847)
    * Franz Schubert (1797 - 1828)
    * Konradin Kreutzer (1780 - 1849)
    * Wenzeslaus Kalliwoda (1801 - 1866).


    De komische Spieloper van Albert Lortzing, Otto Nicolai en Friedrich von Flotow worden ook gezien als voorbeelden van Biedermeier-muziek.
    In het werk van Albert Lortzing kan de hele periodisering zeer goed worden nagewezen. Zijn vroege vaudevilles (Der Pole und sein Kind en Andreas Hofer) vallen in periode 2. Der Pole werd al vrij snel verboden, Andreas Hofer is zelfs nooit uitgevoerd tijdens Lortzings leven. In periode 3 schiep Lortzing zijn typische “Biedermeierliche” werken: Zar und Zimmermann en Hans Sachs. Ook in periode 4 moet Lortzing zich aanvankelijk nog rustig houden en componeert hij o.m. Undine en Der Wildschütz. Wellicht het meest in Biedermeier-stijl is “Der Waffenschmied”.
    Lortzing’s meesterwerk “Regina” is pal na de revolutiedagen in Wenen gecomponeerd; helaas was de censuur weer ingevoerd voordat Lortzing het werk uitgevoerd kon krijgen (de ouverture, die doorgaans als laatste werd gecomponeerd, was nog niet voltooid en Lortzing heeft dit dan ook nooit meer afgemaakt) en hij heeft een uitvoering van dit werk dan ook niet zelf meegemaakt.
    Lortzing was politiek gezien een gematigd liberaal denker. Hij was goed bevriend met Robert Blum en heeft kort voor Blum’s executie op 9 november 1848 nog contact met hem gehad. Voor August Röckel (getrouwd met Lortzing’s nicht Caroline en bevriend met Richard Wagner), die politieke gezien radicaler was (waardoor hij in 1849 ter dood was veroordeeld, hoewel dit vonnis niet werd voltrokken), had hij niet veel begrip.